Wie is hier eigenlijk ziek: ik of ons systeem?
Share
Er was een tijd waarin ik dacht dat ik verantwoordelijk was voor alles wat er rondom mij gebeurde. Als ik maar hard genoeg mijn best deed, als ik maar perfect genoeg was, als ik maar lief genoeg was voor iedereen, dan zou het leven wel vanzelf makkelijker worden. De boosheid die ik voelde, liet ik thuis zien, lekker passief agressief.
Hoe harder ik probeerde, hoe meer ik vastliep. Ik deed mezelf pijn zonder dat ik het doorhad. Niet omdat ik dat wilde, maar omdat ik geloofde dat ik zo móést zijn: altijd presterend, altijd pleazend, altijd “sterk”. Mijn lichaam legde me lam via een burn-out en via chronische pijnen.
Ik zag dat toen als een persoonlijk falen.
Ik dacht dat ík degene was die moest herstellen.
Dat ík degene was die moest leren “anders te zijn”.
En eerlijk: therapie, reflectie, hulp zoeken… dat heeft me veel gebracht. Het liet me voelen dat ik niet kapot ben, maar simpelweg verkeerde overtuigingen had, overtuigingen die perfect pasten in een omgeving die ze dag na dag bevestigde.
En nu ik hersteld ben en al roepend rondloop: "Kijk! Ik heb het licht gezien en ben nu pijnvrij!", zie ik de ene na de andere mens in mijn omgeving uitvallen o.w.v. burn-out, depressie, rugpijn. Dan kan ik nóg luider roepen: "Maar kijk naar mij dan! Doe het óók zo!" dan merk ik dat dit helemaal geen zin heeft.
Er is nog iets anders dat ik steeds duidelijker begin te zien.
Het ligt niet alleen aan ons. Het systeem doet ook pijn.
We leven in een maatschappij die druk als normaal beschouwt.
Waar presteren gelijkstaat aan waarde.
Waar succes wordt afgemeten aan efficiëntie, snelheid, cijfers of zichtbaarheid.
Een eigen huis, een auto, twee vakanties per jaar en etentjes met vrienden. Dàn heb je het gemaakt.
We praten eindeloos over individueel herstel, maar veel minder over de structuren die ons zo ver brengen dat we überhaupt moeten herstellen. Het is gemakkelijk om te zeggen: “Ga eens naar de psycholoog en los je trauma’s op.” Dat schrijf ik ook zo enkele keren in mijn e-book.
Maar wat als die trauma’s niet alleen voortkomen uit onze persoonlijke geschiedenis, maar ook uit een samenleving die nooit stopt met duwen?
Wat als de vraag niet alleen is:
“Wat is er mis met mij?”
Maar óók:
“Wat is er mis met wat wij normaal zijn gaan vinden?”
Het perspectief dat ik soms vergeet
En dan is er nog dit:
Ik ben iemand die geen oorlog meemaakte.
Geen hongersnood.
Geen massaal verlies.
Vanuit die positie klinkt het bijna absurd om anderen, of mezelf, te zeggen:
“Werk aan jezelf, zorg dat je geen pijn meer voelt.”
Sommige mensen dragen littekens van omstandigheden die veel groter zijn dan individuele therapie ooit kan oplossen. En zelfs wie geen “grote” trauma’s heeft, leeft nog steeds in een maatschappij die structureel stress produceert.
Het is te eenvoudig om te zeggen dat alle pijn oplosbaar is met genoeg zelfzorg. Soms is zelfzorg niet meer dan een pleister op een wereld die zelf uitgeput is.
Ik geloof nog steeds in persoonlijke groei.
In heling.
In therapie.
In opnieuw leren voelen wat je nodig hebt.
Maar ik geloof steeds meer dat we daarnaast een veel grotere vraag moeten stellen:
Hoe bouwen we een maatschappij waarin mensen niet eerst moeten breken voor ze leren grenzen te zetten?
Hoe creëren we een cultuur waar je waarde niet afhangt van je nut?
Hoe stoppen we met elkaar - en onszelf - op te branden?
Misschien is de oplossing niet óf individueel óf collectief.
Misschien hebben we allebei nodig.
Waar zijn we eigenlijk mee bezig?
We verdienen een maatschappij die ons ondersteunt, niet uitput.
Hoe dat eruit moet zien, weet ik nog niet.
Maar ik weet wel dat het tijd is om het te herdenken.
Voor onszelf.
Voor elkaar.
Voor wie na ons komt.
Onlangs zat ik op een etentje waar het gesprek op Gen Z kwam. Blijkbaar bestaat er een cursus voor werkgevers over hoe je met Gen Z moet omgaan op de werkvloer. De ober ving ons gesprek op en zei:
“’t Is wat met die jongeren. Ik moest ermee samenwerken, maar die willen niet meer werken tot een kot in de nacht. Dat restaurant heeft zijn uren moeten aanpassen!”
Misschien heeft Gen Z het gewoon al door.
Misschien weigeren zij de race waar wij, hun ouders, zo moe van zijn geworden.
Geen eigen huis, geen twee vakanties per jaar, geen auto? Terecht. Het is allemaal toch onbetaalbaar.
Wat als tevreden zijn met thuisblijven genoeg is?
Met etentjes met vrienden in een klein appartement?
Met tijd die van ons is?
Ziet een dag in een groot huis er werkelijk zo anders uit dan een dag in een klein appartement?
Scrollt men er minder op de smartphone?
Speelt men meer met de kinderen?
Lacht men meer in de zetel tijdens het ravotten?
Is liefde daar groter, of gewoon even groot?
Ik herinner me een gesprek met een familielid, we hadden het over onze kinderen en hun schoolcarrière. Ik vertelde dat ik hoopte dat wij, mijn man en ik, onze kinderen hadden meegegeven dat het oké is om in de supermarkt te werken en een gewoon leven te leiden, dat ze geen uitzonderlijk leven moeten opzoeken. Ik zei letterlijk: "Ik hoop dat we hen hebben meegegeven dat ze goed zijn zoals ze zijn, waar ze ook werken, ook in de Colruyt. Ik denk dat dát de essentie is van het leven. Tevreden zijn waar je ook bent." Waarop hij zei: "Zeg jij nu dat ik mijn kinderen niet goed opvoed omdat ik méér wil voor hen?"
Voel je de energie?
Waarom is het delicaat om te uiten dat ik minder wil voor mijn kinderen? Minder stress, meer fun. Back to basics.
En ondertussen stijgen de cijfers: burn-outs, depressies, rugklachten, fibromyalgie, chronische vermoeidheid…
Dus echt:
Waar zijn we eigenlijk mee bezig?
